FAQ Bestuursrechtelijk horen

Wat zegt de Wet tijdelijk huisverbod en de Wet algemene bestuursrecht over het horen

In de Memorie van Toelichting (pag. 21) bij de Wet tijdelijk huisverbod wordt verwezen naar de artikelen over horen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gesteld wordt dat artikel 4.8 van de Awb van toepassing is op het besluit van de burgemeester over uithuisplaatsing.

Artikel 4.8 van de Awb stelt dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen

Artikel 4.11 van de Awb stelt daarbij dat het bestuursorgaan toepassing van artikel 4.8 achterwege kan laten, voor zover: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of c. het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.

Wie moeten er worden gehoord?

Alle belanghebbenden moeten worden gehoord. Dat wil zeggen de uithuisgeplaatste, het slachtoffer en de eventuele kinderen die ouder zijn dan 12 jaar. De bevindingen worden opgenomen in het procesverbaal van bevindingen. Bij hhet horen ten behoeve van het nemen van een eventuele verlengingsbeslissing, maakt de ambtenaar aantekeningen.

Hoe dient het horen plaats te vinden?

Horen kan schriftelijk of mondeling. Schriftelijk horen is echter gelet op de beperkte tijd niet altijd mogelijk. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4.9) kan volstaan worden met telefonisch horen. In spoedeisende gevallen kan worden afgezien van horen. (artikel 4.11). Voor een zorgvuldige invulling van het RiHG en afweging van het risico is overigens direct contact met de huisgenoten onontbeerlijk.

Wanneer moet er worden gehoord?

Horen vindt plaats als de burgemeester (of de HovJ) het voornemen heeft om iemand een huisverbod op te leggen én als de burgemeester het voornemen heeft om het huisverbod te verlengen. Het horen maakt onderdeel uit van de beslissing om daadwerkelijk het huisverbod op te leggen respectievelijk te verlengen. In de advisering aan de burgemeester wordt gemeld wat de zienswijze is van de personen die zijn gehoord.

Moet er worden gehoord bij niet verlengen?

Dat hangt er van af. Het niet-verlengen wordt niet formeel aangeduid als een besluit volgens de Awb. In dat geval hoeft er niet te worden gehoord. Het mag natuurlijk wel. Echter, indien een belanghebbende (bv. de achterblijver) verzoekt om een verlenging dan wordt er wel gehoord. De belanghebbende dient het verzoek tot verlengen in bij de burgemeester. De burgemeester dient in deze situaties wel te horen en zijn besluit op schrift te stellen. De achterblijver kan tegen dit besluit in beroep.

Mag een hulpverlener bij het verlengen van het huisverbod ook horen?

De Awb stelt dat het horen geschiedt door een bestuursorgaan. In feite betekent dit dat een ambtenaar hoort namens de burgemeesters. Indien men er de voorkeur aangeeft dat een hulpverlener hoort zal dit formeel en in goed overleg geregeld moeten worden. De beschikking voor het verlengen wordt te allen tijde ondertekend door de burgemeester.

In het geval van een verzoek om voorlopige voorziening door de uithuisgeplaatste: is de rechter dan verplicht om de achterblijver (belanghebbende) in de gelegenheid te stellen te worden gehoord in het kort geding. Ik lees dat minderjarige kinderen wel worden gehoord, maar over de rol van de meerderjarige achterblijver in het kort geding lees ik niets. Als de achterblijver niet hoeft te worden gehoord, krijgt deze dan wel een uitnodiging om aanwezig te zijn of wordt deze alleen schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat de uithuisgeplaatste in beroep is gegaan en van de uitspraak?

Meerderjarige achterblijvers zullen als belanghebbende bij een besluit tot opleggen van een huisverbod zijn aan te merken. Art. 8:26 Awb bepaalt dat de rechter amtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid kan stellen als partij aan het geding deel te nemen. "Kan", dus van een verplichting is geen sprake. Echter, het ligt in de rede dat belanghebbenden van wie op voorhand mag worden aangenomen dat hun belang gebaat is bij instandhouding van het bestreden besluit als partij worden uitgenodigd. Uiteindelijk is het echter een bevoegdheid van de rechtbank om partijen al dan niet uit te nodigen. Vervolgens bepaalt art. 8:44 Awb dat de rechtbank partijen kan oproepen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van inlichtingen.

Ten aanzien van minderjarigen geldt het volgende.

Art. 7 Wet tijdelijk huisverbod bepaalt het een en ander over het horen van minderjarigen die tot het huishouden van de uithuisgeplaatste behoren.

De Memorie van Toelichting zegt hierover nog het volgende:
"Hierbij is van belang dat op grond van artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) een kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht heeft die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen. Het dient in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord in een gerechtelijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling. In enkele adviezen heeft men aangegeven zich af te vragen of het kind door deze bepaling niet in een loyaliteitsconflict kan komen. Het horen van minderjarigen wordt ook in bijvoorbeeld artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geregeld. Zo kan een minderjarige in een echtscheidingsprocedure worden gehoord. De ervaring leert dat minderjarigen het zelf aangeven wanneer zij niet gehoord willen worden. Naar verwachting zal dat hier niet anders zijn. Als de minderjarige dat wil, kan hij iemand meenemen. Het is bovendien mogelijk dat de rechter de (minderjarige) huisgenoten van de uithuisgeplaatste of de getuigen of deskundigen buiten afwezigheid van de uithuisgeplaatste hoort. In dat geval wordt de zakelijke inhoud van de verstrekte inlichtingen aan de de uithuisgeplaatste medegedeeld. Hij kan reageren op de afgelegde verklaringen en getuigenissen."